AFSCHEID VAN DEBYE DOOR UTRECHT: EEN BESTUURLIJKE DWALING.
Op donderdagochtend 17 februari
2006 om 08.30 lanceerde het Utrechts College van Bestuur het persbericht,
waarin werd gemeld, dat de Universiteit Utrecht de naam van Prof. Peter Debye,
hoogleraar Natuurkunde in Utrecht van 1912-1914 en Nobelprijswinnaar Scheikunde
in 1936, niet meer zal gebruiken.
Vanwege de grote wetenschappelijke
statuur van Debye is dat een beslissing, die nationaal en internationaal
consequenties heeft. Natuurlijk voor de ruim 250 medewerk(st)ers van het Debye Instituut, maar ook voor de Universiteit Utrecht
en de internationale onderzoeksgemeenschap en niet te vergeten de
(klein)kinderen van prof. Debye.
Men mag dan ook verwachten, dat
deze beslissing is genomen na een zorgvuldige en transparante discussie zeker
binnen een universiteit, HET instituut bij uitstek van het open
wetenschappelijk discours, waarin feiten en informatie op het scherp van de
snede in volle openheid worden gewogen en ondermaats onderzoek, onjuiste of
tendentieuze publicaties worden ontmaskerd. Niets van dit alles. Bij de besluitvorming
over de naamvoering van Debye in Utrecht werd de zaak in beslotenheid in
samenspraak met de Universiteit van Maastricht, afgekaart.
Als managing director van het Debye
Instituut heb ik het proces met toenemende verbijstering en verontwaardiging zien
gebeuren. Ik zal uiteenzetten waarom.
Op 21 januari 2006 verscheen in
Vrij Nederland een publicatie met als titel "Nobelprijswinnaar met vuile
handen", van de hand van S.A. Rispens. In het
artikel schetst Rispens het volgende beeld: een zeer berekenende Debye, die
zijn Nederlands paspoort wil houden om de Nobelprijs te kunnen krijgen, die in
1938 min of meer tegen wil en dank zijn Joodse medewerkster Lise
Meitner helpt om te ontsnappen aan de klauwen van de Nazis. In 1940 zou hij door de Nazi's op een vorstelijk
betaalde vacantie zijn gestuurd naar de VS, zodat hij
daar kon nadenken of hij zijn Nederlands paspoort zou willen verruilen door een
Duits paspoort. Debye zou naar de VS zijn gegaan omdat hij een snelle
overwinning van de Nazi’s verwachtte, zodat hij snel naar Duitsland terug zou
kunnen keren. In Cornell zou er naar aanleiding van
een brief van Einstein verzet zijn tegen de komst van
Debye, maar uiteindelijk zou men hem accepteren. Debye zou in
1941 een telegram hebben gestuurd, dat hij onder alle voorwaarden van de Nazis terug zou willen komen naar Berlijn, maar dat
telegram zou daar onopgemerkt in de la zijn blijven liggen. Debye zou
tot het eind van de oorlog blijven verlangen om terug te keren naar Berlijn,
als directeur van het Kaiser Wilhelm Institut.
Tot zover het door Rispens
geschetste beeld. Het Vrij Nederland artikel was bedoeld als introductie van
het door Rispens geschreven boek "Einstein in
Nederland. Een intellectuele biografie". Daarin staat een hoofdstuk "Einstein en Debye".
De publicatie van het Vrij
Nederland artikel was aanleiding tot stress in het Utrechtse Bestuursgebouw.
Bovendien stortte de Nederlandse pers zich erop met aandacht trekkende, voor
Debye weinig vleiende koppen. In gerenommeerde kranten zoals in de Volkskrant
en NRC werden beeld en de informatie van Rispens kritiekloos overgenomen, ja
erger nog, soms werd vermeld, dat Rispens zorgvuldig met zijn bronnen was
omgesprongen. Trouw had voor zijn berichtgeving het NIOD benaderd voor een
oordeel. Dat noemde bij monde van NIOD onderzoeker Romeijn
het verhaal van Rispens overtuigend en hij zei: “Rispens heeft grondig
onderzoek verricht en verantwoord gebruik gemaakt van de bronnen”. De reactie
van door ons geraadpleegde wetenschapshistorici was: we zijn benieuwd hoe het
NIOD zich hieruit redt, want er zijn de nodige kantekeningen te maken bij de
wijze waarop Rispens omspringt met zijn bronnen en zijn uitspraken, die niet
met bronnen worden gestaafd.
Omdat de schets van Rispens
strijdig is met onze kennis over Debye heeft de directie van het Debye
Instituut vertrouwelijk wetenschapshistorici uit Utrecht, Maastricht en Aken
gevraagd om het door Rispens geschetste beeld te beoordelen. Dat hebben ze
gedaan en hun uitspraak was: wanneer we naar het werk van Rispens kijken en een
vergelijking maken met de ons bekende literatuur of het ons voorhanden zijnde
bronnen materiaal dan wordt duidelijk dat het werk van Rispens helaas niet als
evenwichtige studie naar voren komt op grond waarvan men zou mogen verwachten
een goed beeld van de rol van Debye ten tijde van het Derde Rijk te hebben
verkregen.
Rispens voert drie bronnen aan als
fundament voor zijn schets van Debye als collaborateur.
-1- De brief uit 1938, waarin Debye
als voorzitter van de Duitse Natuurkundige Vereniging aan de joodse fysici
schrijft, dat door de huidige wetgeving (bedoeld
zijn de rassenwetten van de Nazi’s), de Joodse fysici niet langer lid
kunnen blijven. Hij vraagt hen om zich bij hem uit te schrijven. De brief
eindigt met Heil Hitler.
-2- Een brief van Einstein, die protest zou aantekenen tegen de komst van
Debye naar Cornell in de VS.
-3- Een telegram van
Debye uit 1941, waarin hij de Nazi’s bericht onder al hun voorwaarden uit 1940
te willen terugkeren naar Berlijn.
Bij die stukken is het volgende op
te merken.
Sub 1. De brief uit 1938 m.b.t. de
Joodse fysici.
In 2006 met onze kennis over het
ellendige vervolg van de geschiedenis is een oordeel snel geveld. Dat leek ons
te gemakkelijk en nogal gratuit. Alleen de slachtoffers, in dit geval de Joodse
fysici en zij die daarbij waren, hebben primair het recht om een oordeel uit te
spreken. Dus zocht de directie van het Debye Instituut vertrouwelijk contact
met wetenschapshistorici van de Universiteit Utrecht, van de Technische Hochschule in Aken en prof. Ernst Homburg uit Maastricht.
Dat leverde de volgende kanttekeningen bij deze brief. In een artikel van Dieter Hoffmann en Mark Walker in
Physics Today van december
2004 pag. 52-58) wordt het volgende vermeld. De Duitse Natuurkundige Vereniging
(DPG als Duitse afkorting van de naam) had tot 1938 de druk van de Nazi’s
kunnen omzeilen om hun rassenwetten ten uitvoer te brengen. Pas toen de DPG in
1938 door de Nazi’s werd gedwongen, werden de Joodse fysici als leden van de
DPG geschrapt. Peter
Debye was toen president van de DPG. Hoffman en
De Duitse historicus Klaus Hentschel schrijft daarover in een persoonlijke mededeling d.d. 27 januari 2006 aan historicus prof. Ernst
Homburg uit Maastricht: “The DPG tried to keep all
its members, including emigres, Jews, communists etc.
as long as possible. It was possible astonishing long, much longer than in the
case of German chemists (as documented by Uwe Deichmann). But in 1938, a few younger NSDAP party members
mounted increasing pressure on the Vorstand to
exclude Jewish members. After an intense, but unfortunately undocumented
debate, it was decided that the president would write this letter, rather than
exclude the unwanted persons ex cathedra. Of course, as seen from today, it was
a mistake to bend to the pressure, but at the time, Debye and his colleagues in
the Vorstand seem to have considered it the lesser
evil. That Debye signed official letters with this phrase (bedoeld is Heil Hitler) is no so surprising;
anything else would have been considered rebellious in this official context.
So this signature per se is not so much the problem.”
De geschiedenis houdt niet op in
1938. Debye werd in 1939 op non-actief gesteld, omdat het door hem geleide Kaiser Wilhelm Institut onderdeel
werd van de Duitse oorlogsinspanningen. Debye had voor zijn aanstelling als
directeur van het Kaiser Wilhelm Instituut in Berlijn
aan de Nederlandse kroon gevraagd of hij zijn Nederlands paspoort in dan kon
behouden. Die toestemming werd verleend. Hij vertrok in 1940 naar Cornell in de VS. Allereerst om de George
Fischer Baker lectures te geven. In aansluiting daarop werd hij
aangesteld als hoogleraar Scheikunde en Head of the Chemistry Department. In Cornell was hij zeer succesvol op het gebied van polymeer
onderzoek, een vitaal onderzoeksgebied ter zake van de
productie van synthetisch rubber (Synthetisch rubber is van groot belang
geweest voor de geallieeerde oorlogsinspanningen in
WW2. Debye was ook regeringsadviseur voor het synthetisch rubber programma.)
Vertrouwelijk contact van een onderzoek leider van het Debye Instituut met
wetenschappers uit Cornell, die Debye nog persoonlijk
hebben gekend leverde op, dat de integriteit van Debye daar niet ter discussie
staat.
In 1950 kreeg Debye de Max Planck medaille van het DPG. Dat
kan worden beschouwd als een eerbetoon aan Debye voor de wijze waarop hij had
geprobeerd de fysica uit handen van de Nazi’s te houden. Dat was DE gelegenheid
voor de mensen die recht van spreken hebben met betrekking tot het handelen van
Debye in 1938 en op de eerste plaats de in 1938 uit de DPG gezette Joodse
fysici. Daarvan zijn door ons geen berichten gevonden. Als er iemand geweest
zou kunnen zijn, die dat zeker zou hebben gedaan, dan zou het de als zeer integer beschreven
Prof. Max von Laue moeten
zijn, maar die heeft geen bezwaar geuit. Rispens meldt dat alles niet.
Sub 2. Rispens gaat selectief om
met de brief van Einstein om aan te tonen hoe
belastend deze voor Debye is. Einstein schrijft
daarin, dat hij van een hem onbekende man een brief heeft gehad, waarin deze
onaardige dingen over Debye zegt. Hij zegt vervolgens dat hij niet wist wat met
die brief te doen: in de prullenbak gooien of doorsturen. Einstein
stuurt de brief door, maar hij geeft geen oordeel over de waarachtigheid van
dit bericht. In de briefwisseling van Debye met Einstein die wij hebben gezien staat wederzijds geen
onvertogen woord. De suggestie, dat Einstein
moeite zou hebben met Engels en dat Debye zich daarom bewust met een
Engelstalige brief tot Einstein richtte is onderdeel
van de sfeertekening van Rispens. Ik vind dat tendentieus.
Sub 3. Het telegram van Debye uit
1941, waarin hij zou hebben gemeld onder alle door de Nazi’s gestelde
voorwaarden weer terug naar Berlijn te willen komen. Dat telegram is er tot nu
toe niet en het NIOD heeft dan ook niet gezegd, dat het telegram authentiek is,
maar heeft wel de authenticiteit bevestigd van een ambtelijk stuk van de
Nazi’s, waarin gewag wordt gemaakt van een telegram.
In de brief aan Einstein
laat Debye overigens weten, dat hij geen plannen heeft om vanuit de VS terug te
keren naar Duitsland. Wie heeft nu gelijk, de Nazi’s of Debye? Dat zou je tenminste moeten natrekken.
De rol van het NIOD.
Het NIOD is onder andere gevraagd
om na te gaan of de drie hierboven beschreven bronnen authentiek zijn. Het NIOD
heeft gemeld, dat ze dat zijn. (De vragen aan het NIOD en de antwoorden daarop
zijn door het Utrechtse CvB niet openbaar gemaakt,
ook niet voor medewerkers van het Debye Instituut.) Dat de drie bovenvermelde
stukken authentiek waren wisten we al, maar het gaat hier om de wijze waarop je
met de bronnen omgaat en hoe je dat omzet in bestuurlijk handelen vanuit de
verantwoordelijkheid die de wetenschap aan de samenleving heeft. Daar ligt mijn
kritiek op het Utrechtse College van Bestuur.
Prof. Leo Jenneskens,
wetenschappelijk directeur van het Debye Instituut, diverse van zijn collegae,
zoals de voormalig decaan en de huidige decaan van het
Departement Scheikunde, en emeritus hoogleraar Natuurkunde van de
Rijksuniversiteit Leiden en lid van de KNAW, Prof. Joan H. van der Waals, lid van de Externe Adviescommissie
van het Debye Instituut van het eerste uur tot vorig jaar en sinds oktober 2005
drager van de eerste Debye penning, hebben bij Gispen er zich bij voortduring
sterk voor gemaakt om pas een beslissing over het gebruik van de naam van Debye
te nemen na een kortdurend onafhankelijk en gedegen onderzoek vanwege de
onduidelijkheden. Een overhaaste beslissing op grond van het werk van Rispens
en de daaraan aandacht bestedende persberichten achtte men onjuist.
Alle overleg situaties en de
besluitvorming hierover hebben, zoals ik al heb opgemerkt, in beslotenheid
plaatsgevonden. Het College van Bestuur heeft het kennelijk niet nodig geoordeeld
om de personeelsleden van het Debye Instituut bijeen te roepen om uit te leggen
waarom het deze beslissing wilde nemen en hoe dan verder. De instituutsdirectie
zal een bijeenkomst voor de medewerk(st)ers organiseren en Gispen zal
daarvoor worden uitgenodigd, maar het kwaad is al geschied. De bestuurlijke
maatregel van het CvB kwam zogezegd “uit den hoge” en
wekt de indruk, dat het CvB geen belangstelling heeft
voor het wel en wee van zijn personeel in dit geval de
medewerk(st)ers van
het Debye Instituut. Daar is weinig waardering voor. Maar terwijl de leden van
het College van Bestuur op de vijfde verdieping van het Bestuursgebouw zitten,
mogen de medewerk(st)ers van het Debye Instituut in het buitenland uitleggen,
waarom de naam van Debye besmet is nl. op grond van kranten artikelen en een
deel van een boek, waar wetenschapshistorici geen spaan van heel laten.
Het College van Bestuur en zeker de
rector magnificus als de primes inter pares van het wetenschappelijke personeel had naar mijn
mening ook een koninklijke weg kunnen kiezen nl. het organiseren van een
symposium, waarin Rispens en wetenschapshistorici van naam uit Utrecht,
Maastricht en Duitsland (bijvoorbeeld Kant, Hofmann
en Hentschel, onderzoekers, die allen zeer ter zake
kundig zijn) hun zegje zouden kunnen doen over de bronnen en de daaruit te
trekken conclusies. Als op grond daarvan de conclusie onvermijdelijk zou zijn
geworden om de naam van Debye in Utrecht niet meer te gebruiken, dan zou ik
daar vrede mee hebben. Niet met deze aanpak, die naar mijn mening een
universiteit onwaardig is.
Dat heeft het College van Bestuur niet
gedaan. De medewerkers van het Debye Instituut kregen het dienstbevel om de
pers niet te woord te staan bij de eerste negatieve publiciteitsgolf. Ik vind het begrijpelijk, dat het CvB wil
vermijden, dat iedereen zomaar wat gaat roepen naar de pers, maar dat had ook
op een andere manier aan de medewerkers kunnen worden voorgelegd. Nu is
het beeld, dat het Utrechtse College van Bestuur gebrek aan bestuurlijke moed
heeft gehad om de negatieve publicitaire druk te weerstaan van enkele
journalisten, die niet de indruk wekken tijd hebben besteed aan het kritisch
natrekken van wat Rispens aandraagt. Ongewild geeft het Utrechts College van
Bestuur daarmee status aan het werk van Rispens.
Ik vind de gang van zaken
schadelijk voor de universiteit en voor het Debye instituut. Jammer. Naar mijn
mening is het besluit van het CvB over het niet meer
gebruiken van de naam van Debye op grond van het boven vermelde dan ook een
bestuurlijke dwaling.
Dr. Gijs van Ginkel, Senior
Managing Director van het VM Debye Instituut te Utrecht en oud-voorzitter van
de Commissie Onderwijs en Onderzoek Beleid van de Universiteit Utrecht.